2. Heimwee
In het theehuis kwam een jongeman bedeesd bij Mongs tafeltje en vroeg of hij Mong mocht vergezellen naar de naburige stad.
Mong zei met plezier ja, want de knaap leek hem prettig gezelschap. Al lopend kreeg Mong steeds meer schik in hem, want zijn argeloosheid deed hem aan zichzelf van vroeger denken.
De jongeman vertelde, dat hij in de stad mocht gaan studeren bij een plaatselijk vermaarde godgeleerde. En hij verheugde zich daar enorm op en was tegelijkertijd vol twijfel of hij zo'n zware studie weI aan zou kunnen.
"Waarom juist deze studie?", vroeg Mong geïnteresseerd.
De jongeman zei:"Er is eigenlijk maar een ding, waar mijn gedachten altijd mee bezig zijn sinds ik kan denken en praten. En als iemand de antwoorden weet, dan is het de Leraar wel".
"Wat houdt jou dan al zo lang bezig?", polste Mong.
Het duurde geruime tijd, maar toen zei de knaap: "Bestaat het paradijs?" "Dus dat is, wat je weten wilt?", glimlachte Mong.
"Ja, want als ik aan het paradijs denk, dan krijg ik zo'n vreemd gevoel, dat ik er helemaal van ondersteboven raak, steeds weer".
"Heb je een woord voor dat vreemde gevoel?", vroeg Mong.
Na lang piekeren zei de knaap: "Er is denk ik maar een woord voor:
HEIMWEE" .
"Dan weet je dus, dat het paradijs bestaat", concludeerde Mong.
De jongeman riep verbaasd: "Hoe kan ik dat nou weten?".
Mong zei geduldig: "Het is zó eenvoudig, dat het bijna niet te geloven is. Als je wilt, zal ik proberen het je uit te leggen.".
De knaap knikte gretig.
Mong zei: "Heimwee is het diepe verlangen naar een thuis, dat je gekend hebt en verloren: je voelt pijn, omdat je verloren hebt, wat alles voor jou betekende.
Zeg, heb jij de zee wel eens gezien?". "Nee", zei de knaap.
"Zo was het met mij ook op jouw leeftijd, maar ik heb nu de herinnering aan de zee: de golven, de branding, de schittering van het zonlicht op het water, de zilte geur, de vlucht van de meeuwen, hoe de zon ondergaat . lk kan nu heimwee voelen naar de zee, want ik ben er geweest.
Jij kunt dat niet, want jij hebt geen herinneringen zoals ik".
De knaap zei: "Bedoel je hiermee, dat mijn heimwee mij wil zeggen, dat ik ooit in het paradijs geweest ben?".
"Inderdaad, je komt er vandaan. Het antwoord op de echt belangrijke vragen ligt al op je te wachten, in je eigen hart, je hoeft het je alleen maar te herinneren.
Jij zult een goede student worden, als je alles wat je verteld wordt toetst
aan wat je weet, diep in je hart...... ".
Ze liepen een lange tijd zwijgend verder.
De zon scheen fel, de lucht was droog en heet.
Toen zei Mong: "Wat verlang ik nu naar een heerlijke tros druiven!". De knaap zei: "Als je zo naar een tros druiven verlangt, dan kan het niet anders dan dat je daar al eerder van gesmuld hebt!".
Mong zei plagend: "Ik ben maar een eenvoudige student: ik ben op weg naar de stad, om iemand te bezoeken, die mij misschien kan vertellen, of er wel druiven bestaan!".
Ze lachten nu samen en zodra ze bezweet de stad naderden, zagen ze langs de weg een kraampje, beladen met trossen druiven.
Mong kocht er twee, voor allebei een, en zei: "Nu zijn we samen even in het paradijs".
Toen zij afscheid namen, voelde het voor Mong even, alsof hij afscheid nam van zijn eigen jeugd........