Vorm en inhoud
Het was voor de jonge Mong een nieuwe ervaring, dat Ling
zich écht voor hem interesseerde en inspeelde op zijn zoektocht
naar begrip.
Zo zei Ling, toen Mong net een paar weken bij hem was;
‘Op een markt komen allerlei mensen, uit allerlei streken en met
allerlei bedoelingen.
En voor jou Mong, die wil begrijpen hoe mensen zijn, is dit een
prachtige gelegenheid. Ik vertel je nu, dat er maar één taal is, die
ze allemaal spreken, of ze het zich bewust zijn of niet, en dat is de
taal van hun gezicht en hun lichaam.
Het beste kun je die leren bij kleine kinderen en mensen die onze
taal niet spreken. Bij mensen die onze taal spreken is dat voor jou
nu nog veel moeilijker, want woorden, die jij denkt te begrijpen,
verhullen vaak de bedoelingen, die ze via hun lichaam tonen.’
Mong dacht lang na over deze woordenvloed en zei toen
onbegrijpend: ‘Maar Ling, onze taal is er toch om elkaar te begrijpen?’
Ling lachte fijntjes en zei: ‘Woorden en zinnen lijken op messen,
waarmee je je brood kunt snijden, maar waarmee je iemand ook
dodelijk kunt verwonden of bedreigen. Je kunt taal, net als messen,
gebruiken óf misbruiken.’
Mong sputterde tegen: ‘Dat kun je niet menen Ling.’
‘Lichaamstaal liegt niet, dat weet ieder dier’, hield Ling aan.
Hij boog zich voorover naar zijn rode kater, die naar hem knipoogde,
en maakte lokkende gebaren, terwijl hij op vriendelijke toon zei:
‘Kom hier, gemeen roofdier, dan zal ik je wurgen !’
De rode katersprong vol vertrouwen op zijn schoot en begon genoeglijk
te spinnen. ‘Begrijp je me een beetje? ‘ lachte Ling.